Schwanengesang: unieke combinatie van lyriek en dramatiek

In Schwanengesang zijn er meerdere deels tegengestelde gevoelens die om voorrang strijden. Aan de ene kant is er introversie en lyriek, met gevoelens zoals liefde, verlangen, liefde en een ingehouden gekwetstheid. Maar we zien ook extraversie en dramatiek: passages waarin de protagonist het bijna uitschreeuwt van pijn, leed of zelfs boosheid.

In de zangstem van Am Meer bijvoorbeeld staat eerst leise en aan het eind stark, in de pianonoten van Der Doppelgänger zien we zowel ppp (pianisissimo) als fff (fortisissimo). Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Schwanengesang een jeugdzonde is van Wagner. Maar Wagner stond aan het eind van de Romantiek, in een tijd waarin het orkest en de instrumenten en de stemmen veel luider waren geworden en in de jaren daarna zou dat nog verder toenemen. Schubert stond aan het begin van een ontwikkeling waarvan nog niemand wist dat hij naar Wagner, maar ook naar het Verisme van Verdi en Puccini – en dus naar de dood van het Belcanto zou voeren.

Teksten

Dan hebben we nog de teksten. Is Heines ironie luid en dramatisch? Of eerder iets ingehouden, zodat het pas echt effect sorteert wanneer het gedicht in het hoofd van de lezer nog naklinkt? Maar wat moeten we dan met het eind van Der Atlas, dat bij Heine afsluit met de ironie en Schubert terugkeert naar de dramatiek van het begin?

En wat te denken van de tegenstellingen tussen liederen als het stille introverte Ihr Bild en het luide Der Atlas, die ook nog eens meteen achter elkaar staan? Wat te denken van Ständchen, dat heel zacht begint maar aan het eind van de strofen weer luide passages bevat en waarin niet alleen sprake is van een mogelijk in stilte aanbeden geliefde maar ook van een verrader. Hoe valt dat met elkaar te rijmen?

De algemene opinie is dat vocale dramatiek niet echt bij Schubert past. Ook zou je rekening moeten houden met de dynamiek van de instrumenten uit de tijd: fortissimo op een Hammeklavier lijkt volstrekt niet op fortissimo op een Steinway en dan hebben we het nog niet eens over het feit dat begrippen als forte en piano altijd relatief zijn binnen de muzikale context.

Verrader

Maar wanneer we goed kijken naar de teksten van Heine en Rellstab, dan is er vaak niet werkelijk sprake van luide dramatiek. Neem de verrader in Ständchen. Allereerst komt die min of meer uit de lucht vallen, de tekst geeft nergens een indicatie wie het is en wat hij verraadt. Het zou iemand kunnen zijn in dienst van het onderdrukkende staatsapparaat uit die tijd. Maar het zou ook het kleine broertje van de geliefde kunnen zijn, die ermee dreigt de jong-verliefde(n?) te zal verraden aan zijn ouders, als hij geen snoep krijgt. Of het zou iemand kunnen zijn waarvan Rellstab ook niet wist wie het was maar die hij aan de tekst had toegevoegd om die wat spannender te maken. Dat laatste is het meest waarschijnlijk.

Bovendien zegt de protagonist dat de geliefde niet bang moet zijn. Maar wanneer je iemand toeschreeuwt dat ze vooral niet bang moet zijn, dan wordt zo iemand pas werkelijk bang. Dietrich Fischer-Dieskau maant de zangers dan ook in zijn Schubertboek aan om Ständchen vooral niet hard te zingen.

Stemkarakter

Dan is het ook nog eens zo dat het vocale karakter van de stem van de zanger van grote invloed is. Wanneer je stem vooral laag en hard is, kun je wel proberen een heel lichte en stralende interpretatie ten beste te geven, maar die zal niet echt overtuigend zijn. Aan de andere kant zal een vrij lichte tenor er niet in slagen de peilloze diepten van de diepste krochten van de geestelijke hel goed weer te geven.

Kortom: iedere interpretatie en uitvoering van Schwanengesang zal weer anders zijn en de enorme veelzijdigheid van het werk draagt daar in hoge mate toe bij. Het feit dat Schwanengesang géén cyclus is, kun je dan ook goed als een voordeel zien: het maakt juist de veelzijdigheid mogelijk die in de concertzaal voor een verrassende afwisseling kan zorgen. Terwijl bij Winterreise bij vrijwel iedere uitvoering – op overtuigende wijze – vooral één gevoel overheerst (depressieve gekwetstheid) is er bij Schwanengesang een heel palet aan gevoelens dat bij iedere uitvoering weer anders van kleur en samenstelling zal zijn.

P.S.

De laatste maanden heb ik allerlei verschillende interpretaties met mijn pianiste uitgeprobeerd, ook in het kader van het werk aan mijn boek over Schwanengesang. Onlangs heb ik gerepeteerd in de Posthoornkerk en dat heeft tot een definitieve keuze gevoerd. Mijn stem heeft een groot bereik, maar de laagste tonen ervan komen in de akoestiek daar niet goed hun recht terwijl aan de andere kant de midden- en hogere tonen er heel goed hoorbaar zijn. Dat heeft ertoe gevoerd dat ik er uiteindelijk voor gekozen heb om het gehele programma in de tenorligging te zingen en om de interpretaties daar zo veel mogelijk bij te laten passen.

Ook is dat ene lied van Seidl (Die Taubenpost) uitgebreid met nog twee andere liederen op zijn teksten: Der Wanderer an den Mond en Das Zügenglöcklein (resp. D870 / opus 80,1 en D871 / opus 80,2). Meer lyriek dan dramatiek dus. Denk daarbij eerder aan vader Prégardien dan aan de zoon, ook wanneer het om de stemkleur gaat. Dat wil echter niet zeggen dat er geen forti te horen zullen zijn, enfin, u zult toch echt moeten komen beluisteren om het goed te kunnen beoordelen. Hoe dan ook wordt het een uitzonderlijk concert, met interpretaties en accenten en zelfs kleine partituurwijzigingen die uniek en nieuw zijn. Maar zoals uit de voorgaande tekst blijkt, is iedere uitzonderlijkheid (uitzonderlijk dan in de zin van anders, de beoordeling van de kwaliteit is uiteraard aan het publiek) een direct gevolg van de veelzijdigheid van Schwanengesang zelf.

Leave Comment

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *