
(Update 4/9. Dit is een aangepaste en deels verkorte versie van een hoofdstuk over het boek over Schwanengesang dat op 27 september tijdens een concert in Amsterdam gepresenteerd wordt.)
Schwanengesang is een van de populairste werken uit de geschiedenis van de liedkunst. Des te verwonderlijker is het, dat we niet goed weten wat het is. We weten wel wat het niet is: in ieder geval geen liedcyclus. Schubert overleed voordat het uitgegeven werd en het idee om het als cyclus te presenteren kwam van de uitgever Hasslick en Schuberts broer Ferdinand stemde in – om welke reden dan ook.
Schubert was niet van plan om dood te gaan. Net zomin was hij van plan om de liederen van Rellstab en Heine én niet te vergeten zijn werkelijke Schwanengesang, want laatste lied, Die Taubenpost, als cyclus te publiceren. Mogelijk wél de Heine-liederen en misschien zelfs enkele Rellstab-liederen.
Kortom: Schwanengesang is geen cyclus, ook zonder Die Taubenpost (dat in Die neue Schubert Ausgabe ook een apart Deutsch-nummer gekregen heeft en er dus niet meer bijhoort). Maar Schwanengesang is in ieder geval wél een terecht heel populair concertprogramma. Het omvat veel prachtige en meerdere geniale Schubertliederen. Maar het is ook een vrij moeilijk concertprogramma. Veel liederen zijn om uiteenlopende redenen moeilijk te interpreteren en dan is het ook nog eens zo dat ze geschreven lijken te zijn voor verschillende stemvakken. Sommige liederen zijn heel intiem en vooral geschikt voor een lyrische tenorstem, andere zijn laag, donker en dramatisch. In een overzicht:

In deze indeling is precies de helft van de liederen vooral geschikt voor een tenor en de ander helft voor een bas-bariton. Uiteraard is de indeling enigszins subjectief. Dat er enorme verschillen bestaan tussen de liederen uit Schwanengesang, zal echter niemand ontkennen. De stemomvang van Schwanengesang is niet alleen respectievelijk een kleine en een grote terts groter dan die van Die schöne Müllerin en Winterreise, maar de laagste noten in Schwanengesang zijn ook nog eens een kleine terts lager dan de min of meer officiële laagste tenor-noot (in hoge ligging verloopt de stemomvang van a’’ tot a’’’’).
Bijkomend probleem is dat het huidige gebruik van registers niet overeenkomt met dat uit de tijd van Schubert. Julius Stockhausen, de man die voor het eerst Die schöne Müllerin in zijn geheel uitvoerde, maakt in zijn ‘Gesangsmethode’ uit 1884 (dus meer dan een halve eeuw na Schuberts dood) duidelijk dat mannen alle hogere noten in een soort voix mixte moesten zingen. Hij citeert daarbij uit allerlei andere werken, zoals die van Manuel Garcia.
Van een goed ondersteund hoog register zoals wij dat tegenwoordig gebruiken, is geen sprake bij hem.* Sowieso mag je je afvragen of wij tegenwoordig onder de indruk zouden zijn van zijn zangkunsten. Hij was niet in staan een grotere zaal te vullen met zijn stem en erger, hij was van mening dat het zingen van de klinkers ‘u’ (oe), ‘i’ (ie) en ‘a’ (aa) op dezelfde toon achter elkaar zou voeren tot een duidelijk crescendo.
Hoe dan ook was de hoge c (dus een hoge noot gezongen in het hoge register met sterke ademsteun) nog niet uitgevonden in Schuberts tijd. Vaak werd alleen het modale register gebruikt en werd een enkele hoge noot in het hoge register vrijwel zonder ademsteun gezongen, iets wat wij nu vaak falset noemen. (Stockhausen maakt er overigens helemaal een potje van en noemt het middenregister falset, enfin.)
Baron von Schönstein (zie de gravure hierboven), een goede vriend van Schubert en degene die met zijn uitvoeringen van Schwanengesang vaak veel lof oogstte, onder andere van Liszt, noemde zichzelf een hoge bariton. Waarschijnlijk zou hij tegenwoordig geschoold zijn tot tenor. Hij zong Schwanengesang in de hoge middenligging en zei zelfs dat Schubert hem toevertrouwd had alleen nog voor zijn stemsoort te schrijven. Dat is een enigszins verwarrende uitspraak, want we weten niet wat zijn stemsoort was. Schuberts partituren verschenen tot aan het eind in ieder geval in de tenorligging. Daar staat weer tegenover dat Winterreise in de tenorligging vrijwel precies even hoog is als Schwanengesang en Die schöne Müllerin in de bariton-ligging. Daarbij is het weer van belang voor ogen te houden dat Winterreise wél een cyclus is, en dat deze dus uitgegeven is in een ligging voor één stemsoort. Schubert heeft zelfs sommige liederen verlaagd voordat ze naar de uitgever gestuurd werden. (Schwanengesang geeft uiteraard geen indicatie van Schuberts bedoelingen, omdat dit werk nooit door Schubert drukgereed gemaakt is.)
De laatste decennia zijn Schubertliederen vooral bekend geworden in uitvoeringen door hoge baritons, of door baritons die hoog proberen te zingen met inzet van het hoge register, gebruikmakend van ademsteun. Dietrich Fischer-Dieskau is zowel het bekendste als het beste voorbeeld. Maar wat als je het deels omgekeerd doet, dus Schubert als tenor in de hoge bariton-ligging zingt? Misschien kom je dan wel dichter bij wat Schubert voor ogen had en bij hoe Schönstein geklonken heeft.
Voor wat het waard is: zelf heb ik als tenor uiteindelijk besloten Schwanengesang na een korte repetitie in de kerk in de tenorligging te zingen, met uitzondering van Der Atlas. Het gewicht van de wereld laat zich het beste vertolken in een wat lagere ligging in mijn gevoel.
Het zal in ieder geval een vrij unieke uitvoering worden, met ook bij de hoge noten goed verstaanbare klinkers en vooral met enkele unieke accenten in de ironie van Heine en de manier waarop Schubert die in de zangstem én in de pianonoten tot uitdrukking gebracht heeft. In het verlengde van het idee dat Schwanengesang concertprogramma is, heb ik ook besloten een groep van drie liederen op tekst van Seidl (waaronder Die Taubenpost), tussen de liederen op tekst van Rellstab en Heine in te plaatsen en twee Rellstab-liederen weg te laten. Het aangepaste programma vindt u hier. U kunt zelf komen luisteren of ik gelijk heb.
- (Zie verder: Julius Stockhausen Gesangsmethode Sächsische Landesbibliothek – Staats- und Universitätsbibliothek Dresden, EOD reprint, pag. 12 e.v.)